Sommige kinderen wonen nog in het ouderlijk huis als de ouders komen te overlijden. De inwonende kinderen krijgen net als de uitwonende kinderen recht op een deel van de erfenis. Als de eerste ouder komt te overlijden krijgen de kinderen vaak een vordering in geld op de langstlevende en bij het overlijden van de tweede ouder de echte erfenis. Beide verkrijgingen worden in principe belast met successierecht.
Ook kan het natuurlijk zijn dat meerdere kinderen uiteindelijk in het ouderlijk huis blijven wonen na het overlijden van de langstlevende ouder. Deze kinderen nemen dan vaak gezamenlijk het huis over van de overige erfgenamen. Omdat het een verdeling van een erfenis betreft is er dan geen successierecht meer verschuldigd. Als vervolgens de betreffende broers/zusters weer tot verdeling overgaan is er wel overdrachtsbelasting verschuldigd. Het betreft dan een zogenaamde verdere verdeling. Het is dan niet meer de echte erfenis, die wordt verdeeld.
Tot het midden van de jaren 80 van de vorige eeuw werden inwonende kinderen voor wat betreft het successierecht gelijk behandeld met uitwonende kinderen.
Omdat inwonende kinderen of samenwonende broers en zusters samen een gezin vormen werd het successierecht voor deze groepen verminderd. Voorwaarde was, dat de kinderen na hun 27ste jaar nog tenminste vijf jaar hadden samengewoond met de ouders of met elkaar. Daarmee werd tegemoet gekomen aan het idee, dat ook een zogenaamd voortdurend gezin (kinderen blijven 'thuis' wonen ook na het overlijden van de ouders) een samenwoningsvorm is die gelijk behandeld moet worden met andere samenwoningsvormen.
In de plannen van de staatssecretaris voor de wijziging van de successiewet zullen de inwonende kinderen en de samenwonende broers en zusters weer belast worden net als alle andere kinderen. Als broers en zusters van elkaar erven betalen ze dan weer 30% successierecht zonder een noemenswaardige vrijstelling.
Een en ander kan voorkomen worden door het opstellen van een soort verzorgingscontract met verblijvingsbeding. De broers/zusters spreken af met elkaar in het huis te blijven wonen, samen een huishouding te voeren en samen de kosten daarvan te zullen voldoen. Bovendien spreken ze af, dat bij het overlijden van één van hen, de ander(en) eigenaar zal/zullen worden van alle gezamenlijke bezittingen, zoals huis en inboedel. Aangezien de nieuwe wet op 1 januari 2010 zal ingaan is het nu al tijd om daarover eens goed na te denken en contact op te nemen een van onze kantoren.